mar - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- mar
Woordherkomst en -opbouw
- marren zonder de uitgang -en
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| marren |
mar
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van marren
- Ik mar.
- gebiedende wijs van marren
- Mar!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van marren
- Mar je?
Anagrammen
Gangbaarheid
- Het woord mar staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
Catalaans
Uitspraak
- IPA: /maɾ/
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| mar | mars |
Zelfstandig naamwoord
mar
Uitdrukkingen en gezegden
- la mar de
- heel veel
Engels
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to mar |
| he/she/it | mars |
| verleden tijd | marred |
| voltooid deelwoord | marred |
| onvoltooid deelwoord | marring |
| gebiedende wijs | mar |
Uitspraak
Werkwoord
mar
Nedersaksisch
Voegwoord
mar
- maar; tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
Schrijfwijzen
Portugees
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| mar | mares |
Zelfstandig naamwoord
mar m
Spaans
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| mar | mares |
Zelfstandig naamwoord
mar m
Anagrammen
Stellingwerfs
Voegwoord
mar
- maar; tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
Urkers
Voegwoord
mar
- maar; tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
Wolof
Uitspraak
Werkwoord
mar