merg - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- merg
Woordherkomst en -opbouw
- erfwoord via Middelnederlands march van Oudnederlands marg, in de betekenis van ‘substantie in beenderen’ aangetroffen vanaf 891 [1] [2] [3]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | merg | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
het merg o
- (anatomie) zacht weefsel in de kern van een bot
- Als het merg is aangetast door radioactiviteit worden er geen rode bloodlichaampjes meer aangemaakt.
- (beschrijvende plantkunde) parenchymatische binnenste gedeelte van de plantenstengel of wortel
Synoniemen
- [1] beenmerg
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. zacht weefsel in de kern van een bot
Gangbaarheid
- Het woord merg staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "merg" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 99 % | van de Vlamingen.[4] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Oudnederlands Woordenboek
- ↑ merg op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Noors
Zelfstandig naamwoord
merg
- verouderde spelling of vorm van marg tot 2005
(verouderd) onbepaalde vorm nominatief enkelvoud, mannelijk