merk - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord merk merken
verkleinwoord merkje merkjes

Zelfstandig naamwoord

het merk o

  1. een kenteken aangebracht ter identificatie van iets, (merkteken, teken)
    • Je kunt dat merkje er nu wel afhalen.
  2. (handel) een symbool of naam voor producten van een bepaalde producent of handelsonderneming
    • Die computer is van een vrij onbekend merk.
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

[2]

Een merk met veel aanzien

Vertalingen

1. een kenteken aangebracht ter identificatie van iets

2. een herkenbaar product door een bepaalde producent vervaardigd

Werkwoord

vervoeging van
merken

merk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van merken
    • Ik merk.
  2. gebiedende wijs van merken
    • Merk!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van merken
    • Merk je?
      En dan ineens merk je het. Jezus christus, ik heb gebroken benen zonder ooit een voet te hebben verzet. En de hele tijd zat het er al aan te komen, Odelle - georkestreerd in de harten van onbekenden of van een God die je nooit zult ontmoeten.[3]
      Wandelen zou de geest reinigen, het zou je focus geven, maar vooralsnog merk ik daar bar weinig van.[4]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "merk" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. merk op website: Etymologiebank.nl

  3. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704

  4. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be