mik - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
[A] enkelvoud meervoud
naamwoord mik
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

[A] de mik m

  1. handeling van het ergens op richten
  2. iets waarom gericht wordt
  3. begin van een beweging
Uitdrukkingen en gezegden

[3] "begin van een beweging"

levenloos zijn, geen geluid of beweging maken

Werkwoord

vervoeging van
mikken

[A] mik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mikken
    • Ik mik.
  2. gebiedende wijs van mikken
    • Mik!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mikken
    • Mik je?
[B] enkelvoud meervoud
naamwoord mik mikken
verkleinwoord mikje mikjes

Zelfstandig naamwoord

[B] de mik v / m

  1. (voeding) een zwaar soort brood van in linnen zakjes gekookt ongezift roggemeel
[C] enkelvoud meervoud
naamwoord mik mikken
verkleinwoord mikje mikjes

Zelfstandig naamwoord

[C] de mik v / m

  1. (scheepvaart) deel van een maststrijksysteem waarop de mast in gestreken stand rust
    • In gestreken stand rust de mast in de mik.
  2. Zuid-Afrikaans Nederlands paal met uitsteeksels waaraan lijken van veroordeelden opgehangen werden
    Op haar 24ste jaar pleegde zij zelfmoord; men vond haar ‘aan haer eigen cabaayband hangende’. Uit verontwaardiging dat een ‘duitse Hottentotinne’ zich zoover vergeten had, liet men haar lijk door een ezel naar 't galgeveld slepen en 't op een mik plaatsen, een paal met twee uitstekende stompjes, waar men de misdadigers na hun dood aan ophing.[7]
[D] enkelvoud meervoud
naamwoord mik
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

[D] de mik m

  1. handel, spul, zooi
    • Ik weet niet wat ik met deze mik aanmoet.
Anagrammen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. mik (brood) op website: Etymologiebank.nl
  4. "mik" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  5. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  6. mik (gaffel) op website: Etymologiebank.nl
  7. Bronlink Weblink bron
    D.C. Hesseling
    “Het Afrikaansch” (1899) op Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren op Wikipedia
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Albanees

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

mik

  1. vriend

Gotisch

enkelvoud tweevoud meervoud
nominatief ik wit weis
accusatief mik ugkis uns/unsis
genitief meina ugkis unsara
datief mis *ugkara uns/unsis

Persoonlijk voornaamwoord

mik

  1. mij (accusatief van de eerste persoon enkelvoud)

Papiaments

Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs onvoltooid deelwoord voltooid deelwoord
mik - - gemik
klasse 4 volledig

Werkwoord

mik

  1. mikken
Schrijfwijzen