moes - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord moes -
verkleinwoord moesje moesjes

Zelfstandig naamwoord

de moes v / m of het moes o [3] [4] [5]

  1. (voeding) fijngehakte of fijngekookte groente of vruchten
  2. (verouderd) aanduiding van planten waarvan voedsel bereid kan worden
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

in een gevecht veel lichamelijk letsel toebrengen

Vertalingen

1. fijngehakte of fijngekookte groente of vruchten

enkelvoud meervoud
naamwoord moes -
verkleinwoord moesje -

Zelfstandig naamwoord

de moes v

  1. (spreektaal) (koosnaam) moeder, moe, mama
    • Kijk, dáár, dáár was de achtergalerij, en dáár stond het bankje waar moes - zo duidde ze zichzelf altijd aan - zat te lezen en haar eerste verhalen neerschreef. [6]

Bijvoeglijk naamwoord

moes

  1. partitief van de stellende trap van moe
    • Zijn houding had iets heel moes, wat na al die vergeefse pogingen wel begrijpelijk was.
    • Hij hijgde van inspanning en er was zoo iets moes en pijnlijks in 't fronsen van z'n wenkbrauwen, dat Vos 'n gevoel van medelijden kreeg. [7]

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als werkwoord

Werkwoord

vervoeging van
moezen

moes

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van moezen
    • Ik moes.
  2. gebiedende wijs van moezen
    • Moes!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van moezen
    • Moes je?
  4. (spreektaal) moest
    • Hij riep dat ik m'n best moes doen.

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "moes" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. moes op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  6. Nieuwenhuys, R. Vergeelde portretten uit een Indisch familiealbum. 8e druk (1990) Em. Querido's uitgeverij, Amsterdam; ISBN 9021476967; p. 23; geraadpleegd 2016-12-13
  7. Sinclair, F. de "Op de linie" in: Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift jrg. 14 deel 27 (1904) p. 131; geraadpleegd 2016-12-12
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Achterhoeks

enkelvoud meervoud
naamwoord moes muuze
verkleinwoord muusken

Zelfstandig naamwoord

moes

  1. (knaagdieren) muis

Nedersaksisch

enkelvoud meervoud
naamwoord moes muuze
verkleinwoord muusken

Zelfstandig naamwoord

moes

  1. (knaagdieren) muis