moes - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- moes
Woordherkomst en -opbouw
- In de betekenis van ‘brij’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
- van Middelnederlands moes, cognaat met Duits Gemüse [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | moes | - |
| verkleinwoord | moesje | moesjes |
Zelfstandig naamwoord
de moes v / m of het moes o [3] [4] [5]
- (voeding) fijngehakte of fijngekookte groente of vruchten
- (verouderd) aanduiding van planten waarvan voedsel bereid kan worden
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]
- tot moes slaan
in een gevecht veel lichamelijk letsel toebrengen
Vertalingen
1. fijngehakte of fijngekookte groente of vruchten
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | moes | - |
| verkleinwoord | moesje | - |
Zelfstandig naamwoord
de moes v
- (spreektaal) (koosnaam) moeder, moe, mama
- Kijk, dáár, dáár was de achtergalerij, en dáár stond het bankje waar moes - zo duidde ze zichzelf altijd aan - zat te lezen en haar eerste verhalen neerschreef. [6]
Bijvoeglijk naamwoord
moes
- partitief van de stellende trap van moe
- Zijn houding had iets heel moes, wat na al die vergeefse pogingen wel begrijpelijk was.
- Hij hijgde van inspanning en er was zoo iets moes en pijnlijks in 't fronsen van z'n wenkbrauwen, dat Vos 'n gevoel van medelijden kreeg. [7]
Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als werkwoord
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| moezen |
moes
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van moezen
- Ik moes.
- gebiedende wijs van moezen
- Moes!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van moezen
- Moes je?
- (spreektaal) moest
- Hij riep dat ik m'n best moes doen.
Gangbaarheid
- Het woord moes staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "moes" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 97 % | van de Vlamingen.[8] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
- ↑ "moes" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ moes op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Nieuwenhuys, R. Vergeelde portretten uit een Indisch familiealbum. 8e druk (1990) Em. Querido's uitgeverij, Amsterdam; ISBN 9021476967; p. 23; geraadpleegd 2016-12-13
- ↑ Sinclair, F. de "Op de linie" in: Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift jrg. 14 deel 27 (1904) p. 131; geraadpleegd 2016-12-12
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Achterhoeks
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | moes | muuze |
| verkleinwoord | muusken |
Zelfstandig naamwoord
moes
Nedersaksisch
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | moes | muuze |
| verkleinwoord | muusken |
Zelfstandig naamwoord
moes