mondig - WikiWoordenboek (original) (raw)
- In de betekenis van ‘niet meer onder voogd, zelfstandig kunnende beslissen’ voor het eerst aangetroffen in 1276 [1]
- afgeleid van mond met het achtervoegsel -ig [2]
mondig [3] [4] [5]
- (juridisch) meerderjarig en toerekeningsvatbaar
- met de mogelijkheid van zich af te bijten, sociaal weerbaar
| 99 % |
van de Nederlanders; |
| 98 % |
van de Vlamingen.[6] |
- ↑ "mondig" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ mondig op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be