moot - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord moot moten
verkleinwoord mootje mootjes

Zelfstandig naamwoord

de moot v / m

  1. (afgesneden) reepje of schijfje
  2. (voeding) een gesneden stuk vis
    • In het blikje zit een moot tonijn.
Uitdrukkingen en gezegden

[1]

Vernietigen, niets heel laten van

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. moot op website: Etymologiebank.nl
  2. "moot" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
moot moots

Zelfstandig naamwoord

moot

  1. (juridisch), (historisch) volksvergadering
  2. (juridisch) procesnabootsing
vervoeging
onbepaalde wijs to moot
he/she/it moots
verleden tijd mooted
voltooid deelwoord mooted
onvoltooid deelwoord mooting
gebiedende wijs moot

Werkwoord

moot

  1. overgankelijk aansnijden [2], opperen, ter discussie stellen, ter sprake brengen
stellend vergrotend overtreffend
moot mooter mootest

Bijvoeglijk naamwoord

moot

  1. betwistbaar, discutabel
  2. onbeslist
  3. (onderwijs) academisch, (puur) theoretisch