nag - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking

Werkwoord

vervoeging van
naggen

nag

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van naggen
    • Ik nag.
  2. gebiedende wijs van naggen
    • Nag!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van naggen
    • Nag je?

Gangbaarheid

Afrikaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord nag nagte

Zelfstandig naamwoord

nag

  1. nacht
Afgeleide begrippen

Engels

Werkwoord

vervoeging
onbepaalde wijs to nag
he/she/it nags
verleden tijd nagged
voltooid deelwoord nagged
onvoltooid deelwoord nagging
gebiedende wijs nag

nag

  1. (informeel) zaniken, zeuren