neus - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: neus (hulp, bestand)
- IPA: / nøs / (1 lettergreep)
- (Noord-Nederland): /nøʏs/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /nøːs/
Woordafbreking
- neus
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | neus | neuzen |
| verkleinwoord | neusje | neusjes |
Zelfstandig naamwoord
de neus m
- (anatomie) orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
- Mensen halen meer adem via hun neus dan via hun mond.
▸ Haar neus ligt bijna op de stuurpen als ze de laatste krachten in het geteisterde gestel aanspreekt.[3] Woorden schieten nu zelfs tekort. Een ijselijke kreet galmt over de weide op de top van La Planche des Belles Filles. ‘Aaaargh!’
▸ Ik nam een selfie (voor de Southern Terminus), deed met veel moeite mijn rugzak om, draaide mijn neus richting Canada en begon te lopen.[4]
- Mensen halen meer adem via hun neus dan via hun mond.
- (metonymisch) het reukvermogen
- Je hebt er echt een neus voor!
- (figuurlijk) het voorste deel van bepaalde voorwerpen
- De neus van het vliegtuig was beschadigd.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- bij de neus nemen
- Doen alsof je neus bloedt
Doen alsof je van niets weet of iets belangrijks niet opmerkt, wegkijken (lett: het hoofd wegdraaien, zoals men meestal ook doet bij een bloedneus)
- Een bril op de neus krijgen
Geen vrij uitzicht of vrije ruimte meer hebben
- Een lange neus maken
De tong uitsteken, iemand iets inpeperen (Jaloers maken)
- Een wassen neus
- Ergens zijn neus voor ophalen/optrekken
Zich te goed vinden om iets te doen
- ▸ Niemand is geïnteresseerd in het verhaal van een adellijke dochter van vlees en bloed, een dochter die in haar bed plaste, die zich verveelde, ruziemaakte met haar familie en net als elk sterfelijk kind haar neus optrok voor spruitjes. Ik wil echter ook niets afdoen aan de bewieroking van de prinses, want zowel de aanbedene als degenen die aanbidden ontlenen daar te veel plezier aan.[5]
- Geen knip voor de neus waard zijn
Zijn vak niet kennen en er geen verstand van hebben
- Het deksel op de neus krijgen
Tegenslag ondervinden, niet zijn zin krijgen
- Iemand de pen op de neus zetten
Streng ondervragen of aanpakken
- Iemand een bril op de neus zetten
Iemand dwingen gehoorzaam te zijn
- Iemand iets aan de neus hangen
Iemand iets vertellen wat die beter niet kan weten
- Iemand iets door de neus boren
Iemand een bepaalde mogelijkheid ontnemen, of zorgen dat iemand iets niet krijgt wat diegene wel zou willen
- Iets tussen neus en lippen zeggen
Zonder dat je het merkt in het geheel iets zeggen
- Met zijn neus in de boter vallen
Onverwacht voordeel hebben
- Mijn neus!
(Sarcastisch) Dat zal wel, ik geloof daar niks van
- Niet verder kijken/zien dan je neus lang is
Niet goed nadenken wat de gevolgen van iets zullen zijn
- Onder de neus wrijven
Duidelijk zeggen wat er van gevonden wordt
- Op zijn neus kijken
Beteuterd of onaangenaam verrast zijn
- Overal zijn neus in steken
Zich overal mee bemoeien
- Wie het onderste uit de kan wil hebben, krijgt de deksel op de neus.
Iemand die te begerig is loopt grote kans niets te krijgen
- Wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht.
Wie slecht spreekt over zijn familie, spreekt slecht over zichzelf
- De neus ergens voor ophalen
Iets minderwaardig vinden
- Iemand met de neus op de feiten drukken
Iemand iets duidelijk maken
- Tussen neus en lippen iets zeggen
Iets zonder nadruk zeggen
• Als ik zo afwezig was plaagde ze me vroeger wel eens door tussen neus en lippen te melden dat ze zwanger was, waarbij ik uit afwezigheid niet eens opkeek. [6]
- Zijn neus in andermans/iemands anders z'n zaken steken
Je bemoeien met zaken die niet de jouwe zijn
- Zijn neus stoten
Op iets onaangenaams of hinderlijks stuiten (en daardoor bijv. een gesteld doel niet bereiken)
Vertalingen
1. een orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
3. het voorste deel van een voorwerp
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| neuzen |
neus
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van neuzen
- Ik neus.
- gebiedende wijs van neuzen
- Neus!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van neuzen
- Neus je?
Gangbaarheid
- Het woord neus staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "neus" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 100 % | van de Vlamingen.[7] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
- ↑ "neus" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ neus op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Weblink bron
Rob Gollin
“De helling van de mooie meisjes knijpt de renner de keel dicht” (10 juli 2019), de Volkskrant - ↑
Tim Voors
“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers
- ↑
Danielle Teller (vert. Marja Borg)
“Er was eens iets anders” (2018), Ambo/Anthos uitgevers
, ISBN 9789026346477 - ↑ Tim Voors: Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada, 2018
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 4
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Anatomie in het Nederlands
- Metonymisch in het Nederlands
- Figuurlijk in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %