nogmaals - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- nog·maals
Woordherkomst en -opbouw
- Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘bijwoord van tijd: wederom’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1659 [1]
Bijwoord
nogmaals
- nog een keer , opnieuw
▸ Blijkbaar werkte mijn actie wel, dus ik schopte nogmaals wat zand waardoor de ratelslang sierlijk de struiken ingleed. Ik wachtte een paar minuten tot de kust echt veilig was.[2]
▸ 'Dan zal ik het je nogmaals vragen: met welk geld ga je die broeikassen bouwen?' Het lukt haar niet meer om zachtjes te praten.[3]
Vertalingen
Gangbaarheid
- Het woord nogmaals staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "nogmaals" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 100 % | van de Vlamingen.[4] |
Verwijzingen
- ↑ "nogmaals" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Tim Voors
“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers
- ↑
Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
“Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024586332 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be