nood - WikiWoordenboek (original) (raw)

1. levensbedreigende situatie

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nood noden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

de nood m

  1. levensbedreigende situatie waaruit men zichzelf niet meer kan redden en onmiddellijke hulp vereist is
    • De passagiers van het in nood verkerende schip konden allen gered worden.
  2. gebrek, een tekort aan iets
    • In het journaal van de VRT werd gezegd dat er nood is aan parkeerplaatsen.
  3. tijdelijk ongemak
    • De stroomvoorziening is uitgevallen, geen nood, we behelpen ons wel met olielampen.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

in nood leert men anderen om hulp vragen

In geval van nood dient hoe dan ook hulp geboden te worden, desnoods tegen de geldende regels in

De aandacht vestigen op een onhoudbare toestand/benarde situatie

In een noodgedwongen situatie, toch iets nuttigs doen

Geen nood zo hoog, of er is wel een oplossing

Laat de moed niet zakken, nog is er kans op hulp

Vrienden genoeg als het je voor de wind gaat, maar wie helpt je als het wat minder gaat?

Nodig naar het toilet moeten

Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
noden

nood

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van noden
    • Ik nood.
  2. gebiedende wijs van noden
    • Nood!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van noden
    • Nood je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. "nood" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. nood op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be