oefening - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oefening oefeningen
verkleinwoord oefeningetje oefeningetjes

Zelfstandig naamwoord

de oefening v

  1. activiteit die erop gericht is om een vaardigheid te leren of te verbeteren
    • De oefening bleek toch zwaarder dan gedacht.
      Sportgeschiedenis functioneert al te vaak als een oefening in nostalgie voor mannen van middelbare leeftijd.[1]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Het is afgelopen

Men leert iets door het te oefenen

Iets soortgelijks is, denk ik, wat mijn eigen moeder bedoelt wanneer ze zegt dat de tweede veel minder dan de eerste 'een experiment' is: dat de eerste haar of zijn ouders laat oefenen, en dat oefening kunst baart.[2]

Vertalingen

1. test om de kennis te peilen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen


  1. Onno van Nijf
    “Sportgeschiedenis” (2021), Athenaeum - Polak & Van Gennep op Wikipedia, ISBN 9789025312275

  2. Lynn Berger
    “De tweede: over het zijn en krijgen van een tweede kind” (2021), De Correspondent, ISBN 9789082821697
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be