oefening - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- oe·fe·ning
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van oefenen met het achtervoegsel -ing
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | oefening | oefeningen |
| verkleinwoord | oefeningetje | oefeningetjes |
Zelfstandig naamwoord
de oefening v
- activiteit die erop gericht is om een vaardigheid te leren of te verbeteren
- De oefening bleek toch zwaarder dan gedacht.
▸ Sportgeschiedenis functioneert al te vaak als een oefening in nostalgie voor mannen van middelbare leeftijd.[1]
- De oefening bleek toch zwaarder dan gedacht.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- Het is einde oefening
Het is afgelopen
- Oefening baart kunst
Men leert iets door het te oefenen
∗ Iets soortgelijks is, denk ik, wat mijn eigen moeder bedoelt wanneer ze zegt dat de tweede veel minder dan de eerste 'een experiment' is: dat de eerste haar of zijn ouders laat oefenen, en dat oefening kunst baart.[2]
Vertalingen
1. test om de kennis te peilen
Gangbaarheid
- Het woord oefening staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "oefening" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 99 % | van de Vlamingen.[3] |
Verwijzingen
- ↑
Onno van Nijf
“Sportgeschiedenis” (2021), Athenaeum - Polak & Van Gennep
, ISBN 9789025312275 - ↑
Lynn Berger
“De tweede: over het zijn en krijgen van een tweede kind” (2021), De Correspondent, ISBN 9789082821697 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be