oen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oen oenen
verkleinwoord oentje oentjes

Zelfstandig naamwoord

de oen m

  1. (scheldwoord) dom en/of onhandig iemand
    • Wat een oen is dat, zeg.
  2. (evenhoevigen) (landbouw) gecastreerde ezelhengst, ofwel ezelruin
    • Zij heeft een oen in haar bezit.
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. oen op website: Etymologiebank.nl
  2. "oen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Welsh

enkelvoud meervoud
oen ŵyn

Zelfstandig naamwoord

oen m

  1. (dierkunde), (landbouw) lam