oen - WikiWoordenboek (original) (raw)
- Etymologie onduidelijk; mogelijk verwant met loen zn . In de betekenis van ‘sufferd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1612 [1][2][3]
de oen m
- (scheldwoord) dom en/of onhandig iemand
- (evenhoevigen) (landbouw) gecastreerde ezelhengst, ofwel ezelruin
- Zij heeft een oen in haar bezit.
| 99 % |
van de Nederlanders; |
| 95 % |
van de Vlamingen.[4] |
- ↑ oen op website: Etymologiebank.nl
- ↑ "oen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
oen m
- (dierkunde), (landbouw) lam