oeros - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Een oeros.

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oeros oerossen
verkleinwoord oerosje oerosjes

Zelfstandig naamwoord

de oeros m

  1. (evenhoevigen) bepaald soort zoogdier, Bos primigenius op Wikispecies, de uitgestorven, ruige, langhoornige, wilde voorouder van het tamme huisrund die in de ijstijd in Europa, Noord-Afrika en West-Azië leefde
    • Koning Clovis trachtte de oeros te beschermen.
    • Hoewel de oeros al sinds 1627 uitgestorven is, hebben wetenschappers DNA-monsters kunnen analyseren, met name van exemplaren uit koelere streken die goed bewaard zijn gebleven
Synoniemen
Hyperoniemen
Anagrammen
Vertalingen

1. bepaald soort zoogdier, Bos primigenius

Gangbaarheid

62 % van de Nederlanders;
53 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. oeros op website: Etymologiebank.nl
  3. "oeros" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be