ogenblik - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ogenblik ogenblikken
verkleinwoord ogenblikje ogenblikjes

Zelfstandig naamwoord

het ogenblik o

  1. moment, een bepaald tijdstip
    'Er is hier op het ogenblik weinig te doen,' vervolgde ze.[3]
    Dat alles eeuwig terugkeert, dat elk ogenblik de herhaling is van wat al eindeloos vaak gebeurd is en ook nog eindeloos vaak herhaald zal worden, is misschien een verstikkende gedachte voor degene die zijn hoop op de toekomst heeft gericht.[4]
  2. een korte tijdsduur
    • Heeft u een ogenblikje? Ik zal u direct helpen.
Schrijfwijzen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. ogenblik op website: Etymologiebank.nl
  2. "ogenblik" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  3. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704

  4. Paul van Tongeren
    “Nietzsche” (2020), Amsterdam University Press op Wikipedia, ISBN 9789048529407
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be