omhaal - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
enkelvoud meervoud
naamwoord omhaal omhalen
verkleinwoord omhaaltje omhaaltjes

Zelfstandig naamwoord

de omhaal m [1]

  1. ophef, omslachtigheid, rompslomp
  2. (voetbal) trap tegen de bal, zodat die over het eigen hoofd naar achteren vliegt
  3. krul

Werkwoord

vervoeging van
omhalen

omhaal

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omhalen
    • ... dat ik omhaal.

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be