omhaal - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- om·haal
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | omhaal | omhalen |
| verkleinwoord | omhaaltje | omhaaltjes |
Zelfstandig naamwoord
- ophef, omslachtigheid, rompslomp
- (voetbal) trap tegen de bal, zodat die over het eigen hoofd naar achteren vliegt
- krul
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| omhalen |
omhaal
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omhalen
- ... dat ik omhaal.
Gangbaarheid
- Het woord omhaal staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "omhaal" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 96 % | van de Vlamingen.[2] |
Verwijzingen
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be