omnibus - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord omnibus omnibussen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

de omnibus v / m [3]

  1. (letterkunde) verzameling verhalen, romans in één band
    • De verhalen zijn gebundeld in een omnibus.
  2. (geschiedenis), (transport) vroeger voor het openbaar vervoer gebruikt rijtuig, getrokken door paarden
    Een paardentram, wel op rails, loopt lichter en kan dus met minder paarden toe dan een omnibus.[4]
  3. (spoorwegen) stoptrein
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "omnibus" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. omnibus op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Bronlink geraadpleegd op 16 juli 2022 “Pagina 13 - Oud-Rotterdam”, NS
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Tsjechisch

Zelfstandig naamwoord

omnibus m onbezield

  1. (verkeer) omnibus
Verbuiging

| | enkelvoud | meervoud | | | ---------------------------------------------------------------------------- | ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- | ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- | | nominatief | omnibus | omnibusy | | genitief | omnibusu | omnibusů | | datief | omnibusu | omnibusům | | accusatief | omnibus | omnibusy | | vocatief | omnibuse | omnibusy | | locatief | omnibusu | omnibusech | | instrumentalis | omnibusem | omnibusy |

Afgeleide begrippen