ondeugd - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ondeugd ondeugden
verkleinwoord ondeugdje ondeugdjes

Zelfstandig naamwoord

de ondeugd v / m [2] [3]

  1. slechte gewoonte of handeling
    • Een gat in de hand is een ondeugd waar velen mee worstelen.
  2. (spottend) iemand - vaak een jonge persoon - die kattenkwaad uithaalt
    • Die ondeugd heeft het wachtwoord van m'n PC gewijzigd!
Antoniemen
Hyponiemen
Opmerkingen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be