onecht - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onecht onechter onechtst
verbogen onechte onechtere onechtste
partitief onechts onechters -

Bijvoeglijk naamwoord

onecht [1]

  1. niet echt, verzonnen, doen alsof, vervalst
    • Dat zijn onechte diamanten.
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1.

Deens: falsk (da), uægte (da) Engels: affected (en), false (en), phony (en) Spaans: falso (es)
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord onecht -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

de onecht m

  1. (verouderd) buitenechtelijke gemeenschap

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. onecht op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be