onzijdig - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onzijdig onzijdiger onzijdigst
verbogen onzijdige onzijdigere onzijdigste
partitief onzijdigs onzijdigers -

Bijvoeglijk naamwoord

onzijdig

  1. (grammatica) horend bij een zelfstandig naamwoorden bij welke in het Nederlands het lidwoord 'het' voor geplaatst kan worden
    • Het woord 'huis' is een onzijdig woord.
  2. (biologie) zonder geslacht
    • In die ruimte staan enkele onzijdige dieren tentoongesteld.
  3. (scheikunde) niet zuur en niet alkalisch reagerend
    • We hebben net een onzijdige reactie gevonden.
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1.

Deens: neutrum (da) Duits: Neutrum (de) o Frans: neutre (fr) Spaans: neutro (es)

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "onzijdig" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. onzijdig op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be