oom - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- oom
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | oom | ooms |
| verkleinwoord | oompje | oompjes |
Zelfstandig naamwoord
de oom m
- (familie) broer of zwager van iemands vader of moeder
▸ Dat was eene sware dinc. Sconincs wijf was een jodinne. Doet Mardocheus wiste, hare oom, Was hi drouve in sinen sinn[4]
▸ Ik had het hoofdstuk over het huwelijk uit De profeet al vaker gehoord tijdens bruiloften, voorgelezen door een trotse oom of vader.[5]
Synoniemen
- ome (uitspraakvariant)
- nonkel (Belgisch-Nederlands)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening
Vertalingen
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
Gangbaarheid
- Het woord oom staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "oom" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 99 % | van de Vlamingen.[6] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ oom op website: Etymologiebank.nl
- ↑ "oom" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Weblink bron Alexanders geesten (1200) in:
ed. Johannes Franck
Alexanders geesten (1882), J.B. Wolters, Groningen, p. 133. - ↑
Tim Voors
“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Afrikaans
Uitspraak
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | oom | ooms |
Zelfstandig naamwoord
oom
Wolof
Zelfstandig naamwoord
oom
Yucateeks
Zelfstandig naamwoord
oom