openbreken - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
openbreken brak open opengebroken
klasse 4 volledig

Werkwoord

openbreken

  1. ergatief al brekend opengaan
    • De zaaddoos brak open en de zaden vielen op de grond
  2. overgankelijk door breken met geweld openmaken
    • we moeten die kast openbreken want de sleutel is verdwenen
  3. overgankelijk (figuurlijk) voortijdig wijzigingen aanbrengen in
    • Mijn baas wil mijn tijdelijke jaarcontract openbreken en met een halfjaar verlengen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be