openbreken - WikiWoordenboek (original) (raw)
openbreken
- ergatief al brekend opengaan
- De zaaddoos brak open en de zaden vielen op de grond
- overgankelijk door breken met geweld openmaken
- we moeten die kast openbreken want de sleutel is verdwenen
- overgankelijk (figuurlijk) voortijdig wijzigingen aanbrengen in
- Mijn baas wil mijn tijdelijke jaarcontract openbreken en met een halfjaar verlengen
| 99 % |
van de Nederlanders; |
| 99 % |
van de Vlamingen.[2] |
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be