opgroeien - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- op·groei·en
Woordherkomst en -opbouw
- samenstelling van op bw en groeien ww
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs | verleden tijd | voltooid deelwoord |
| opgroeien | groeide op | opgegroeid |
| zwak -d | volledig |
Werkwoord
opgroeien
- ergatief de tijd tot de volwassenheid doorbrengen; de tijd dat iemand zich ontwikkelt tot een volwassene
- Hij groeide op in Scheemda.
▸ Het voetpad dat naar de vuurtoren op Vlieland leidt, is onlangs vernoemd naar Liesbeth List. De in 2020 overleden zangeres groeide op het Waddeneiland op.[1]
▸ Lydia McLeod (28) is een van de weinige fietsers in het centrum die wel een helm draagt. "Ik ben opgegroeid in Schotland", verklaart ze. "Het is daar normaal, en ik blijf het doen hier."[2]
- Hij groeide op in Scheemda.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
1.de tijd tot de volwassenheid doorbrengen
-
Gangbaarheid
- Het woord opgroeien staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "opgroeien" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 100 % | van de Vlamingen.[3] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.