opgroeien - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
opgroeien groeide op opgegroeid
zwak -d volledig

Werkwoord

opgroeien

  1. ergatief de tijd tot de volwassenheid doorbrengen; de tijd dat iemand zich ontwikkelt tot een volwassene
    • Hij groeide op in Scheemda.
      Het voetpad dat naar de vuurtoren op Vlieland leidt, is onlangs vernoemd naar Liesbeth List. De in 2020 overleden zangeres groeide op het Waddeneiland op.[1]
      Lydia McLeod (28) is een van de weinige fietsers in het centrum die wel een helm draagt. "Ik ben opgegroeid in Schotland", verklaart ze. "Het is daar normaal, en ik blijf het doen hier."[2]
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

1.de tijd tot de volwassenheid doorbrengen

-

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen