ophalen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
ophalen haalde op opgehaald
zwak -d volledig

Werkwoord

ophalen

  1. overgankelijk een voorwerp of persoon bij iets/iemand vandaan halen
    Ze komen Caroline ophalen voor het slaapfeestje.[1]
    Teresa ging het ophalen en rende de hele weg terug naar de finca, waar ze het aan Olive gaf, die aan de keukentafel met haar moeder erwten zat te doppen.[2]
    Bij de receptie haalde ik meteen mijn langverwachte resupplydoos op.[3]
    Ten slotte adresseerde ik de dozen aan mezelf, stuurde ze vooruit en zou ze de komende weken op verschillende plekken ophalen langs de trail.[3]
  2. overgankelijk naar boven halen
  3. overgankelijk vergeten kennis of ervaringen weer bewust maken
    De deze week op 78-jarige leeftijd overleden Liesbeth List heeft een hoop mensen geraakt met haar stem, haar muziek en door wie ze was. NU.nl spreekt met verschillende artiesten en acteurs die speciale herinneringen aan haar ophalen.[4]
  4. overgankelijk, (onderwijs) een hoger cijfer verwerven voor iets
    • Hij heeft zijn wiskunde aardig opgehaald.
  5. overgankelijk, (informatica) een bestand van een computer of server naar een andere computer of server overbrengen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

1. een voorwerp of persoon bij iets/iemand vandaan halen

Zelfstandig naamwoord

de ophalen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ophaal

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen