opjagen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
opjagen jaagde opjoeg op opgejaagd
klasse 6zwak -dgemengd volledig

Werkwoord

opjagen

  1. overgankelijk uit zijn schuilplaats verdrijven
  2. overgankelijk, wederkerend gestresst maken, gek maken, iemand zich (nodeloos) doen haasten onder druk
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1.

Engels: chase (en), drive (en), drive on (en), impel (en), shoo (en) Spaans: acuciar (es) , arrear (es) , impeler (es)

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. opjagen op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be