optuigen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
optuigen tuigde op opgetuigd
zwak -d volledig

Werkwoord

optuigen

  1. overgankelijk het voorzien van versierselen en andere toebehoren
    • Wij hebben onze kerstboom al opgetuigd.
  2. (scheepvaart) het op een (zeil-)schip aanbrengen van tuig en uitrusting: masten, laadbomen, staand en lopend want, verlichting enz.
    • De scheepstuiger zal het jacht optuigen met een traditioneel gaffeltuig."
  3. (bedrijfskunde) het uitbreiden of het nieuw opzetten van een organisatie of bedrijf
    • Er wordt gedacht aan het weer optuigen van een eigen reparatieafdeling.
  4. Een paard klaarmaken om een kar te trekken, of om bereden ter worden[1]
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

1. het ergens op aanbrengen van benodigdheden of versieringen

2. het op een (zeil-)schip aanbrengen van tuig en uitrusting

3. het uitbreiden of het nieuw opzetten van een organisatie of bedrijf

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. De officiele volgorde optuigen, inspannen, aftuigen?
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be