opvarende - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord opvarende opvarenden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

de opvarende v / m

  1. iemand die op een schip vaart
    • De geredde opvarenden zijn aan wal gezet.
      Een migrantenboot met 61 inzittenden is omgeslagen in de Atlantische Oceaan, ongeveer 250 kilometer ten zuiden van Gran Canaria. Zeker 26 opvarenden zijn vermist, onder wie zes baby's. Zeker één persoon is omgekomen.[1]

Werkwoord

opvarende

  1. verbogen vorm van opvarend, het onvoltooid deelwoord van opvaren

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen