opvullen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
opvullen vulde op opgevuld
zwak -d volledig

Werkwoord

opvullen [1]

  1. overgankelijk geheel vullen
    • De gaten in de muur werden opgevuld met klei en leem.
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1.

Engels: pad (en), stuff (en), upholster (en) Spaans: acolchar (es), atiborrar (es), mechar (es), rellenar (es)

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be