output - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord output outputs
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

de output m

  1. (informatica) uitvoer zn [3]
  2. (techniek) energie of signaal dat ergens uitkomt
Antoniemen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "output" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. output op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
vervoeging
onbepaalde wijs to output
he/she/it outputs
verleden tijd output outputted
voltooid deelwoord output outputted
onvoltooid deelwoord outputting
gebiedende wijs output

Werkwoord

output

  1. overgankelijk als resultaat hebben, opleveren [1]
  2. overgankelijk voortbrengen
  3. overgankelijk, (informatica) als uitvoer zn [3] hebben
enkelvoud meervoud
output outputs

Zelfstandig naamwoord

output

  1. opbrengst
  2. (informatica) output, uitvoer zn [3]
  3. (elektrotechniek) uitgang [3]

Slowaaks

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

output m

  1. (informatica) output; uitvoer
  2. (techniek) output; energie of signaal dat ergens uitkomt
Synoniemen
  1. výstup m
  2. výstup m
Antoniemen
  1. vstup m, input m
  2. vstup m, input m

Meer informatie

Tsjechisch

Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

output monbezield

  1. (informatica) output; uitvoer
  2. (techniek) output; energie of signaal dat ergens uitkomt
Synoniemen
  1. výstup monbezield
  2. výstup monbezield
Antoniemen
  1. vstup monbezield, input monbezield
  2. vstup monbezield, input monbezield

Meer informatie