ouwe - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ouwe ouwen
verkleinwoord ouwetje ouwetjes

Zelfstandig naamwoord

de ouwe m

  1. ouder, vader, ouder persoon, iemand die er al lang is
    • Dat moet je maar aan de ouwe vragen!
    • De ouwetjes hebben het prima naar hun zin gehad.
  2. (muziek) gouwe ~: een populair nummer dat in het verleden lang een topper geweest is
    • We draaien nog even een gouwe ouwe.

Bijvoeglijk naamwoord

ouwe

  1. (spreektaal) uitspraakvariant van oude bn
    Want stel je voor dat Sint hier in een ouwe, grauwe paardedeken was aangekomen. Hadden jullie hem dan herkend?[1]
    Een pretpakket met ouwe grappige rotzooi die ik een week eerder in een tweedehandswinkel had gekocht voor mijn vrienden die drie dagen achter me liepen.[2]
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen