overhand - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord overhand
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

de overhand v / m

  1. de meeste invloed, de meeste macht hebben
    • Hij had de gehele wedstrijd de overhand.
Vertalingen

1.

Duits: Oberhand (de) v Engels: upper hand (en) Frans: avantage (fr) m Spaans: prevaleciente (es), dominante (es) Zweeds: överhand (sv)

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. "overhand" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be