overgankelijk nog hebben nadat al het nodige is verdeeld of gebruikt
Hij hield nog één plank over nadat hij de kast in elkaar had gezet. ▸ Door af te lossen en te sparen zouden we op den duur minder hoeven te werken en daardoor tijd overhouden.[1]
overgankelijk behouden, vasthouden (als overblijfsel of gevolg van iets anders) ▸ Het enige wat hij nu wilde was razendsnel de berg afkomen omdat hij er een aardige tik aan had overgehouden.[1]
overgankelijk, (onderwijs) scholieren na afloop van de gewone lestijd langer op school houden
onovergankelijk, onpersoonlijk naar tevredenheid zijn, naar wens zijn; echter vrijwel altijd gebruikt in combinatie met niet, waardoor de betekenis in de praktijk juist tegengesteld is aan de hiervoor gegeven definitie