overleg - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- over·leg
Woordherkomst en -opbouw
- samenstelling van over en leg
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | overleg | overleggen |
| verkleinwoord | overlegje | overlegjes |
Zelfstandig naamwoord
het overleg o
- beraad, beraadslaging
- Republikeinse partijgenoten klagen in de Amerikaanse media (anoniem, uit vrees voor represailles) dat dit typisch Trump is: handelen zonder overleg, zonder voorbereiding, zonder briefing.[1]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. beraad, beraadslaging
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| overleggen |
overleg
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overleggen
- Ik overleg.
- gebiedende wijs van overleggen
- Overleg!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overleggen
- Overleg je?
Verwante begrippen
- [1] leg over
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| overleggen |
overleg
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overleggen
- ... dat ik overleg.
Gangbaarheid
- Het woord overleg staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "overleg" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 100 % | van de Vlamingen.[2] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
- ↑ www.parool.nl (10 apr 2025)
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be