pacht - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pacht pachten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

de pacht v / m

  1. geld betaald voor het vruchtgebruik van grond waar men niet de eigenaar van is
    • Ze konden de pacht niet betalen.
Uitdrukkingen en gezegden

denken dat men de hele waarheid kent

We willen graag denken dat wij de waarheid in pacht hebben.[3]

Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
pachten

pacht

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van pachten
  2. gebiedende wijs van pachten

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "pacht" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. pacht op website: Etymologiebank.nl

  3. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be