parool - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord parool parolen
verkleinwoord parooltje parooltjes

Zelfstandig naamwoord

het parool o

  1. herkenningswoord, wachtwoord
    • De poortwachter moest iedere dag het nieuwe parool leren.
  2. belofte, erewoord
    • Alle mensen genezen was het parool van de arts.
Synoniemen
  1. credo, kernspreuk, consigne, leus, leuze

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "parool" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be