parool - WikiWoordenboek (original) (raw)
- Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘leus’ voor het eerst aangetroffen in 1673 [1]
het parool o
- herkenningswoord, wachtwoord
- De poortwachter moest iedere dag het nieuwe parool leren.
- belofte, erewoord
- Alle mensen genezen was het parool van de arts.
- credo, kernspreuk, consigne, leus, leuze
| 98 % |
van de Nederlanders; |
| 86 % |
van de Vlamingen.[2] |
- ↑ "parool" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be