participant - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord participant participanten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

de participant m

  1. iemand die deelneemt aan een activiteit
Synoniemen
Vertalingen

1. iemand die deelneemt aan een activiteit

Duits: Teilnehmer (de) m/mv, Teilnehmerin (de) v Engels: participant (en)

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Engels

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
participant participants

Zelfstandig naamwoord

participant

  1. deelnemer, participant
    «A woman died after she was run over by a bus carrying participants of a festival, authorities said.»
    Een vrouw overleed nadat ze werd overreden door een bus met deelnemers van een festival, aldus autoriteiten.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
active participant conference participant course participant cruise participant exchange participant market participant meeting participant participant country participant list participant structure participate participating stock exchange participant study participant trade participant traffic participant training participant unwitting participant

Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
participant le participant participants les participants

Zelfstandig naamwoord

participant m

  1. deelnemer, participant

Werkwoord

participant

  1. tegenwoordig deelwoord (participe présent) van participer