pas - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

pas

  1. even tevoren.
    • Ik heb pas de nieuwe plaat van mijn favoriete band gekocht.
  2. nog niet lang.
    • Ik ben nog maar pas afgestudeerd.
  3. niet eerder dan.
    • Die winkel gaat pas om half twee weer open.
      Pas na een kwart eeuw, in 2009, kwam het tot een verzoening tussen Buikhuisen en de universiteit. De decaan van de faculteit Rechten, Carel Stolker, zocht hem naar aanleiding van het interview op in Spanje en ging met hem in gesprek. Een jaar later verscheen Buikhuisen op een congres van de rechtenfaculteit.[2]
      Pas na lange tijd was ik ontspannen genoeg om de fles te vullen.[3]
  4. in nog hogere mate.
    • Vind jij dat mooi? Dit is pas een mooi schilderij!
Synoniemen
  1. (even tevoren)
  2. (nog niet lang)
  3. (niet eerder dan)
Antoniemen
Verwante begrippen
Anagrammen
Uitdrukkingen en gezegden

nog niet lang ergens aan deelnemen

Vertalingen

Tussenwerpsel

pas

  1. om aan te geven dat men de beurt voorbij laat gaan.
    • Ik kan geen goede zet doen. Pas!

Werkwoord

vervoeging van
passen

pas

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passen
    • Ik pas.
  2. gebiedende wijs van passen
    • Pas!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passen
    • Pas je?
enkelvoud meervoud
naamwoord pas passen
verkleinwoord pasje pasjes

Zelfstandig naamwoord

de pas m

  1. het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het gaan.
    • Let op je passen en trap niet in die hondendrol!
  2. manier van lopen.
    • Vertraag je pas eens zodat de rest van de groep kan volgen.
  3. door een overheid verkregen identiteitsbewijs.
    • Laat je pas eens zien, onder de 18 jaar mag je hier niet binnen.
  4. doorgang tussen bergtoppen, waar men over de bergkam heen kan.
    • Die pas voerde hen over de bergkam heen.
  5. (in België) (sport) schot naar een medespeler
    • De voetballer geeft een pas naar zijn ploeggenoot.
  6. (dans) een sierlijke stap gedaan door een artiest op het podium
    In een begeleidend citaat vertelt Muskee dat ze dixieland speelden op VVD-feestjes voor mensen met een clubsjaal en glazen sherry in de hand - niet leuk, een beetje oubollig. Hij stapte spoedig over naar The Rocking Strings, dat Shadows-achtige rock & roll speelde, compleet met pakjes en pasjes. Ze hadden een heel talentvolle gitarist, Muskees vriend Eelco Gelling.[4]
Synoniemen
  1. (het plaatsen van de voet)
  2. (manier van lopen)
  3. (identiteitsbewijs)
  4. (doorgang tussen bergtoppen)
  5. (schot naar een medespeler)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Ergens bruikbaar, handig voor zijn

Niet zijn zoals het hoort

Iemand de voortgang belemmeren (ook fig.)

Er slecht aan toe zijn

Zo nu en dan

Bruikbaar, handig zijn

Zijn oude wolfshuid kwam goed van pas wanneer het werk in de pikzwarte ochtend begon met het verwarmen van het hout.[5]

Vertalingen

1. het plaatsen van de voet

4. doorgang tussen bergtoppen

5. schot naar een medespeler

stellend
onverbogen pas
verbogen (alleenpredicaat)

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als bijvoeglijk naamwoord

Bijvoeglijk naamwoord

pas

  1. van de juiste grootte, passend
    • Dat oude gordijn van mijn ouders is precies pas in onze nieuwe logeerkamer.
  2. waterpas
    • Deze vloer ligt niet pas.

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. 1 2 3 "pas" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 11 mei 2025 Weblink bron “Criminoloog Wouter Buikhuisen (91) overleden” (10 mei 2025), NOS

  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 11 mei 2025 Weblink bron “Window of my eyes: Harry Muskee en de verloren tijd” (zaterdag 16 januari 2016, 13:44), NOS

  5. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044628142
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Bosnisch

Zelfstandig naamwoord

pas m

  1. (roofdieren) hond

Extremeens

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

pas

  1. vrede

Meer informatie

Frans

Uitspraak
Woordafbreking
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
pas le pas pas les pas

Zelfstandig naamwoord

pas m

  1. pas (het plaatsen van de voet)
  2. pas (manier van lopen)
Afgeleide begrippen

Bijwoord

ne ... pas

  1. niet
    «Je ne fume pas
    Ik rook niet.

Bijwoord

pas

  1. (spreektaal) niet
    «Je fume pas
    Ik rook niet.

Kroatisch

Zelfstandig naamwoord

pas m

  1. (roofdieren) hond

Nedersaksisch

Bijwoord

pas

  1. pas

Piëmontees

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

pas

  1. vrede

Meer informatie

Slowaaks

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

pas monbezield

  1. pas, paspoort; een door een overheid vergeven identiteitsbewijs

Meer informatie

Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

pas o

  1. (dans) pas, stap
Verbuiging

| | enkelvoud | meervoud | | | ---------------------------------------------------------------------------- | ---------------------------------------------------------- | ----------------------------------- | | nominatief | pas | pas | | genitief | pas | pas | | datief | pas | pas | | accusatief | pas | pas | | vocatief | pas | pas | | locatief | pas | pas | | instrumentalis | pas | pas |

Anagrammen
Typische woordcombinaties

Verwijzingen

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

pas monbezield

  1. pas, paspoort; een door een overheid vergeven identiteitsbewijs
    «Platnost pasu nelze prodloužit.»
    De geldigheid van een paspoort kan niet verlengd worden.
  2. (sport) pas, pass; het overspelen van de bal tussen twee spelers van hetzelfde team
  3. (kaartspel) pas; een deelnemer aan een spel die aangeeft dat hij zijn beurt voorbij laat gaan
  4. (anatomie) taille
  5. (kleding) taille
Verbuiging

| | enkelvoud | meervoud | | | ---------------------------------------------------------------------------- | ---------------------------------------------------------------------------------------------- | ------------------------------------------------------------------------------------------------- | | nominatief | pas | pasy | | genitief | pasu | pasů | | datief | pasu | pasům | | accusatief | pas | pasy | | vocatief | pase | pasy | | locatief | pasu / pase | pasech | | instrumentalis | pasem | pasy |

Schrijfwijzen
Hyperoniemen
  1. doklad monbezield, průkaz monbezield
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
cestovní pas monbezieldpaspoort neplatný pas monbezield – ongeldig paspoort odebrat pas – het paspoort afnemen platný pas monbezield – geldig paspoort předložit pas – het paspoort laten zien zbrojní pas monbezield – vuurwapen_pas_ ztratit / ztrácet pas – het paspoort verliezen

Meer informatie

Verwijzingen

Bijwoord

pas

  1. (kaartspel) pas; een deelnemer aan een spel die aangeeft dat hij zijn beurt voorbij laat gaan
Schrijfwijzen

Verwijzingen

Werkwoord

pas

  1. informeel tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs van het imperfectieve werkwoord pást
Paroniemen

Veluws

Bijwoord

pas

  1. pas