passagier - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord passagier passagiers
verkleinwoord passagiertje passagiertjes

Zelfstandig naamwoord

de passagier m

  1. iemand die al of niet tegen betaling meereist met een voer-, vaar- of vliegtuig
    De Franse traditie ziet er heel anders uit, zoals de Britse trendwatcher Stephen Bayley opmerkte. Je rijdt op je gemak over een met platanen omzoomde tweebaansweg, in een comfortabele auto, bij voorkeur een Citroën DS. Ondertussen zoekt je passagier in de Michelingids een restaurant waar je goed en uitgebreid kunt lunchen.[3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. iemand die al of niet tegen betaling meereist met een voer-, vaar- of vliegtuig

Werkwoord

vervoeging van
passagieren

passagier

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passagieren
    • Ik passagier.
  2. gebiedende wijs van passagieren
    • Passagier!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passagieren
    • Passagier je?

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "passagier" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. passagier op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink Weblink bron
    Peter Giesen
    “Route Nationale 7, leuker dan de Route du Soleil” (30 juli 2014), de Volkskrant
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be