perenboom - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord perenboom perenbomen
verkleinwoord perenboompje perenboompjes

Zelfstandig naamwoord

de perenboom m

  1. (tuinbouw)een boom met peren als vrucht
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

1. een boom met peren als vrucht

Baskisch: udareondo (eu) Catalaans: perera (ca) v, perer (ca) m Duits: Birnbaum (de) m, Birne (de) v Engels: pear tree (en) Esperanto: pirarbo (eo), pirujo (eo) Faeröers: perutræ (fo) Frans: poirier (fr) m Fries: parrebeam (fy) Ido: piriero (io) Italiaans: pero (it) m Latijn: pirus (la) Litouws: kriaušė (lt) Occitaans: perièr (oc) Pools: grusza (pl) Portugees: pereira (pt) v Reto-Romaans: pairer (rm) m Russisch: груша (ru), грушевое дерево (ru) Spaans: peral (es) m Venetiaans: perer m Zweeds: päronträd (sv) o

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be