peuk - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord peuk peuken
verkleinwoord peukje peukjes

Zelfstandig naamwoord

de peuk m [5] [6]

  1. overblijfsel van een opgerookte sigaret of sigaar
    • De roker gooide de peuk achteloos weg.
  2. (informeel) sigaret
    • Ik ga even peuken halen.
      De man ging bij het vuur zitten en stak een peuk op, net als de Marlboro-man uit de oude reclames.[7]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. overblijfsel van een opgerookte sigaret of sigaar

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "peuk" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. peuk op website: Etymologiebank.nl
  3. peuk op website: Etymologiebank.nl
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  6. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).

  7. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be