piel - WikiWoordenboek (original) (raw)
de piel m
- (vulgair) mannelijk geslachtsdeel
- (verouderd) staafje met een scherpe punt dat met een boog wordt weggeschoten
- (dierkunde) jonge eend (watervogel uit de familie Anatidae
), soms ook gebruikt als algemene benaming voor eend of (jonge) watervogel
- lastig karwei
- afgebroken of afgesneden stuk
- De betekenis 3 "jonge eend" wordt vooral gebruikt in streektaal in Nederland buiten de Randstad.
piel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pielen
- gebiedende wijs van pielen
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pielen
| 78 % |
van de Nederlanders; |
| 25 % |
van de Vlamingen.[7] |
- ↑ piel op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ "piel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ piel op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
piel v
- (anatomie) huid, vel
- leer
- pels, bont
- schil