pier - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pier pieren
verkleinwoord piertje piertjes

Zelfstandig naamwoord

[A] de pier m

  1. (wormen) regenworm
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

[B] de pier m

  1. (waterbeheer) een in een zee of rivier uitstekende brug, dam of golfbreker
  2. (luchtvaart) overdekte loopbrug van de terminal naar de vliegtuigen op een luchthaven
Hyponiemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Anagrammen
Vertalingen

2. een in een zee of rivier uitstekende brug, dam of golfbreker

3. overdekte loopbrug op luchthaven

Werkwoord

vervoeging van
pieren

pier

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pieren
    • Ik pier.
  2. gebiedende wijs van pieren
    • Pier!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pieren
    • Pier je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "pier" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. pier op website: Etymologiebank.nl
  3. pier op website: Etymologiebank.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
pier piers

Zelfstandig naamwoord

pier

  1. pier
  2. pijler
  3. penant