pij - WikiWoordenboek (original) (raw)

monnik in een pij

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pij pijen
verkleinwoord pijtje pijtjes

Zelfstandig naamwoord

de pij v / m

  1. (kleding) habijt, lange kleding gedragen door monniken
    • Meestal is een pij donkerbruin of zwart gekleurd maar de camaldulenzers hebben een witte pij en worden de witte benedictijnen genoemd.

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "pij" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Nedersorbisch

Uitspraak
Woordafbreking

Werkwoord

pij

  1. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs van piś

Pools

Uitspraak
Woordafbreking

Werkwoord

pij

  1. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs van pić

Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking

Werkwoord

pij

  1. informeel tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs van het imperfectieve werkwoord pít
Gelijkklinkende woorden