pikken - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
pikken pikte gepikt
zwak -t volledig

Werkwoord

pikken

  1. overgankelijk iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
    • Ze hebben mijn portemonnee gepikt.
  2. overgankelijk iets nemen, ontnemen
    • In rond de negentig procent van alle gevallen pikt de software de juiste boodschap uit een 'boe'.
  3. overgankelijk, (informeel) dulden, accepteren
    • Ik pik het niet dat je tegen me scheldt.
  4. overgankelijk, (dierkunde) (met de snavel) prikken
    • De vogel pikte het graan van de grond.
Synoniemen
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Bij een kans het niet nalaten iemand steeds te pesten

Vertalingen

1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen

4. (met de snavel) prikken

Zelfstandig naamwoord

de pikken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord pik

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "pikken" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. pikken op website: Etymologiebank.nl
  3. pikken op website: Etymologiebank.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be