pis - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pis -
verkleinwoord pisje pisjes

Zelfstandig naamwoord

de pis m

  1. urine
    • Hij stond met zijn laars in de pis.
      Wanneer hij 's ochtends wakker werd onder zijn Noorse donzen dekbed, het enige wat hij had bijgedragen aan de inrichting, de Zweden gaven er nog steeds de voorkeur aan om onder gewone dekens kou te lijden, lag er een dunne ijslaag op het waswater in de kan bij zijn wastafelkast, soms was zelfs de pis in de van een blauw patroon voorziene pot onder het bed bevroren.[3]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
pissen

pis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pissen
    • Ik pis.
  2. gebiedende wijs van pissen
    • Pis!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pissen
    • Pis je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. "pis" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  3. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044628142
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Frans

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
pis le pis pis les pis

Zelfstandig naamwoord

[A] pis m

  1. (zoötomie) uier, de melkklier van een melkdier
  2. (schertsend) vrouwenborst
  3. (zoötomie) speen
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
pis le pis pis les pis

Zelfstandig naamwoord

[B] pis m

  1. (verouderd) het slechtste
Synoniemen

Bijwoord

[B] pis

  1. slechter

Bijwoord

[C] pis

  1. (spreektaal) dan, toch

Voegwoord

[C] pis

  1. (spreektaal) dan, toen, en

Tussenwerpsel

[B] pis

  1. (Canada) jammer dan!

Verwijzingen

Iers

| | enkelvoud | meervoud | | | ---------------------------------------------------------------- | ---------------------------------------------------------- | -------- | | nominatief | pis | piseanna | | genitief | pise | |

Zelfstandig naamwoord

pis v

  1. (groente) erwt

Turks

Woordafbreking
stellend vergrotend overtreffend
pis daha pis en pis

Bijvoeglijk naamwoord

pis

  1. vies, vuil, smerig
Synoniemen
Antoniemen