pit - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pit [1], [2], [4] pitten[3] pits
verkleinwoord pitje pitjes

Zelfstandig naamwoord

pit v/m/o

  1. (beschrijvende plantkunde) (voeding) zaadhoudende kern van verschillende vruchten [2]
  2. brandbare gevlochten draad in het binnenste van een kaars, olielamp of petroleumtoestel
  3. (sport) werkplaats langs een circuit voor auto- of motorsport [3]
  4. energie
    • Daar zit pit in.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. zaadhoudende kern van verschillende vruchten

Werkwoord

vervoeging van
pitten

pit

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van pitten
  2. gebiedende wijs van pitten

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. 1 2 3 "pit" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. pit op website: Etymologiebank.nl
  3. pit op website: Etymologiebank.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

Zelfstandig naamwoord

pit

  1. (plantkunde)(voeding) pit; zaadhoudende kern van verschillende vruchten

Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

pit m

  1. (spreektaal) pitbull
    «Tention, ton pit, il va saloper les sièges de ma Merco!»
    Kijk uit, zo meteen maakt die pitbull van jou de stoelen van mijn Mercedes vies! [1]

Verwijzingen

  1. Wouw, Berry van de, Woordenboek populair Frans - Nederlands. Woordenboek van het Frans dat u op school nooit leerde, 2e druk, Breda: Uitgeverij Arti-Choc, 2014; p. 158

Limburgs

Zelfstandig naamwoord

pit

  1. pit; brandbare gevlochten draad in het binnenste van een kaars, olielamp of petroleumtoestel

Nedersorbisch

Uitspraak
Woordafbreking

Werkwoord

pit

  1. supinum van piś

Pools

Uitspraak
Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

pit

  1. genitief meervoud van pita

Schots

Uitspraak
Woordafbreking

Werkwoord

pit

  1. plaatsen, leggen, zetten, stellen
Synoniemen

Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking

Werkwoord

pit

  1. mannelijk enkelvoud passief deelwoord van het imperfectieve werkwoord pít

Zelfstandig naamwoord

pit

  1. genitief meervoud van pita
Anagrammen

West-Vlaams

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

pit m

  1. (plantkunde)(voeding) pit; zaadhoudende kern van verschillende vruchten
  2. put