plaag - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord plaag plagen
verkleinwoord plaagje plaagjes

Zelfstandig naamwoord

de plaag v / m

  1. (religie) door God gezonden onheil, ramp
  2. (figuurlijk) een wijdverspreid ongemak of fysieke bedreiging veroorzaakt door een buitensporig optreden van organismen als insecten, bacteriën, knaagdieren enz
    • Een dier dat in zijn land van herkomst een normaal deel van de natuur is, kan best ergens anders een plaag veroorzaken, zoals in Australië met de konijnen gebeurd is.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

wijdverspreid onheil, ongemak

Werkwoord

vervoeging van
plagen

plaag

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plagen
    • Ik plaag.
  2. gebiedende wijs van plagen
    • Plaag!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plagen
    • Plaag je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. plaag op website: Etymologiebank.nl
  2. "plaag" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be