plak - WikiWoordenboek (original) (raw)
- In de betekenis van ‘dunne schijf’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1761 [1]
- In de betekenis van ‘muntstuk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1371 [1]
de plak v / m [2] [3]
- spul waarmee men kan plakken bijv. behangplak, lijm [4]
- (voeding) afgesneden stuk (schijf) van iets groters [5]
- (sport) (informeel) medaille
- (medisch) plaque -> tandplak [6] [7]
plak
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plakken
- gebiedende wijs van plakken
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plakken
| 100 % |
van de Nederlanders; |
| 99 % |
van de Vlamingen.[8] |
- 1 2 "plak" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ plak op website: Etymologiebank.nl
- ↑ plak op website: Etymologiebank.nl
- ↑ plak op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be