plak - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord plak plakken
verkleinwoord plakje plakjes

Zelfstandig naamwoord

de plak v / m [2] [3]

  1. spul waarmee men kan plakken bijv. behangplak, lijm [4]
  2. (voeding) afgesneden stuk (schijf) van iets groters [5]
  3. (sport) (informeel) medaille
  4. (medisch) plaque -> tandplak [6] [7]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
plakken

plak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plakken
    • Ik plak.
  2. gebiedende wijs van plakken
    • Plak!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plakken
    • Plak je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. 1 2 "plak" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. plak op website: Etymologiebank.nl
  6. plak op website: Etymologiebank.nl
  7. plak op website: Etymologiebank.nl
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be