plan - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- plan
Woordherkomst en -opbouw
- Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ontwerp, voornemen’ voor het eerst aangetroffen in 1674 [1] [2]
| 1, 2, 3, 5 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | plan | plannen |
| verkleinwoord | plannetje | plannetjes |
| 4 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | plan | - |
| verkleinwoord | - | - |
| 6 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | plan | plans |
| verkleinwoord | plannetje | plannetjes |
Zelfstandig naamwoord
het plan o
- een voorgenomen handelswijze
- Het plan om vroeg op te staan mislukte doordat de wekker niet afging.
▸ Waarom had ik geen donder gehoord of bliksem gezien tijdens mijn tocht omhoog? Wat had ik nu spijt van het plan om de zonsondergang en zonsopkomst vanaf de top te willen gaan bekijken.[3]
- Het plan om vroeg op te staan mislukte doordat de wekker niet afging.
- een idee van iets dat men wil gaan doen
- Hij is een plan aan het beramen.
▸ De universiteit legt de bezuiniging, ingegeven door structurele tekorten bij aardwetenschappen, uit als een "strategische keuze" waarbij onderzoek en onderwijs zich nu gaan richten op de hedendaagse klimaatverandering en urgente vraagstukken als natuurrampen en klimaatsystemen. "We begrijpen dat dit een ingrijpend plan is voor studenten en medewerkers. We doen onze uiterste best om in deze onzekere tijd betrokken medewerkers en studenten zo goed mogelijk te informeren."[4]
- Hij is een plan aan het beramen.
- een ontwerp voor een ruimtelijke of economische ordening
- We gingen met z'n allen een plan ontwerpen.
- niveau
- Hij ging het op een hoger plan brengen.
- de perspectiefverdeling van een schilderij of vergezicht
- plattegrond
- Heb jij een plan bij je?
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- Een onbekookt plan (hebben)
een plan hebben waar niet goed over is nagedacht
- Je plan trekken
het zelf uitzoeken
Vertalingen
1. een voorgenomen handelswijze
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| plannen |
plan
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plannen
- Ik plan.
- gebiedende wijs van plannen
- Plan!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plannen
- Plan je?
Gangbaarheid
- Het woord plan staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "plan" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 99 % | van de Vlamingen.[5] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
- ↑ "plan" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ plan op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Tim Voors
“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers
- ↑
Weblink bron
Sven Schaap
“Werkveld luidt noodklok op actiedag tegen verdwijnen aardwetenschappen VU” (6 mei 2025), NOS - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Deens
Uitspraak
Woordafbreking
- plan
Woordherkomst en -opbouw
- Bijvoeglijk naamwoord: Afkomstig van het Latijnse bijvoeglijke naamwoord planus
- Zelfstandig naamwoord: Afkomstig van het Latijnse zelfstandige naamwoord planum.
| stellend | vergrotend | overtreffend |
|---|---|---|
| onbepaald(sterk) | g enkelvoud | plan |
| o enkelvoud | plant | |
| meervoud | plane | |
| bepaald(zwak) | enkelvoud enmeervoud | plane |
Bijvoeglijk naamwoord
plan
Synoniemen
Antoniemen
Werkwoord
plan
- gebiedende wijs van plane
| g[A] | enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | plan | planen | planer | planerne |
| genitief | plans | planens | planers | planernes |
Zelfstandig naamwoord
[A] plan g
Afgeleide begrippen
- [2]: byplan
- [2]: byplanafdeling
- [2]: byplanborgmester
- [2]: byplanudvalg
- [2]: landsplan
- [2]: lokalplan
- [2]: kommuneplan
- [2]: fremtidsplan
- [2]: planlægning
- [2]: regionplan
| o[B] | enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | plan | planet | planplaner | planeneplanerne |
| genitief | plans | planets | plansplaners | planenesplanernes |
Zelfstandig naamwoord
[B] plan o
Afgeleide begrippen
- [2]: lokalplan
| o[C] | enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | plan | planet | planer | planerne |
| genitief | plans | planets | planers | planernes |
Zelfstandig naamwoord
[C] plan o
Afgeleide begrippen
Verwijzingen
- plan in:
Det Danske Sprog- og Litteraturselskab
Den Dankse Ordbog
op website:ordnet.dk
Engels
Uitspraak
- IPA: /bæn/
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| plan | plans |
Zelfstandig naamwoord
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to plan |
| he/she/it | plans |
| verleden tijd | planned |
| voltooid deelwoord | planned |
| onvoltooid deelwoord | planning |
| gebiedende wijs | plan |
plan
Werkwoord
plan
- overgankelijk inplannen, plannen, voorzien [1]
- overgankelijk van plan zijn
Frans
Uitspraak
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| plan | le plan | plans | les plans |
Zelfstandig naamwoord
plan m
- tekening
- (spreektaal) plan, idee
«Antony a un bon plan pour le weekend de Pâques.»
Antony heeft een goed idee voor het Paasweekend. [1] - (spreektaal) vermaak, bezigheid
«J’ai un plan drague pour ce week-end, si tu veux je t’invite.»
Ik heb een versierplannetje voor dit weekend, als je wil nodig ik je uit. [1]
Verwijzingen
- 1 2 Wouw, Berry van de, Woordenboek populair Frans - Nederlands. Woordenboek van het Frans dat u op school nooit leerde, 2e druk, Breda: Uitgeverij Arti-Choc, 2014; p. 160
Noors
Uitspraak
Woordafbreking
- plan
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig uit het Duits
| Naar frequentie | 906 |
|---|
| stellend | vergrotend | overtreffend | ||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald(sterk) | m/v enkelvoud | plan | planere | planest |
| o enkelvoud | plant | |||
| meervoud | plane | |||
| bepaald(zwak) | enkelvoud enmeervoud | plane | planere | planeste |
Bijvoeglijk naamwoord
plan
- vlak, pas, plat
- waterpas, horizontaal
«Gulvet er ikke helt plant.»
De vloer is niet helemaal plat.
Synoniemen
Antoniemen
Werkwoord
plan
- gebiedende wijs van plane
| m[A] | enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | plan | planen | planer | planene |
| genitief | plans | planens | planers | planenes |
Zelfstandig naamwoord
[A] plan m
- plattegrond, schets
- plan, opzet, ontwerp
«Huset ble bygd etter planen.»
Het huis werd gebouwd volgens het plan.
Afgeleide begrippen
- [2]: byplan
- [2]: læreplan
- [2]: framtidsplan
- [2]: reguleringsplan
| o[B] | enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | plan | planet | plan | planaplanene |
| genitief | plans | planets | plans | planasplanenes |
Zelfstandig naamwoord
[B] plan o
- (horizontaal) vlakte
- plan, niveau
«Diskusjonen lå på et høyt plan.»
De discussie was op een hoog niveau.
Afgeleide begrippen
- [2]: lokalplan
Nynorsk
Uitspraak
Woordafbreking
- plan
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig uit het Duits
| stellend | vergrotend | overtreffend | ||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald(sterk) | m/v enkelvoud | plan | planare | planast |
| o enkelvoud | plant | |||
| meervoud | plane | |||
| bepaald(zwak) | enkelvoud enmeervoud | plane | planare | planaste |
Bijvoeglijk naamwoord
plan
- vlak, pas, plat
- waterpas, horizontaal
«Golvet er ikkje plant.»
De vloer is niet plat.
Synoniemen
Antoniemen
Werkwoord
plan
- gebiedende wijs van plana
Schrijfwijzen
Werkwoord
plan
- gebiedende wijs van plane
Schrijfwijzen
| m[A] | enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | plan | planen | planar | planane |
Zelfstandig naamwoord
[A] plan m
- plattegrond, schets
- plan, opzet, ontwerp
«Han har planar om å bli prest.»
Hij heeft plannen om priester te worden.
Afgeleide begrippen
- [1]: generalplan
- [2]: byplan
- [2]: læreplan
- [2]: framtidsplan
- [2]: reguleringsplan
| o[B] | enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | plan | planet | plan | plana |
Zelfstandig naamwoord
[B] plan o
- (horizontaal) vlakte
- plan, niveau, verdieping
«Romma ligg i same planet.»
De kamers liggen op dezelfde verdieping.
Afgeleide begrippen
- [2]: lokalplan
Spaans
Uitspraak
Woordafbreking
- plan
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| plan | planes |
Zelfstandig naamwoord
plan m
Synoniemen
Verwijzingen
- plan in: Diccionario de la lengua española, 23e druk, op website: Real academia española