plan - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
1, 2, 3, 5 enkelvoud meervoud
naamwoord plan plannen
verkleinwoord plannetje plannetjes
4 enkelvoud meervoud
naamwoord plan -
verkleinwoord - -
6 enkelvoud meervoud
naamwoord plan plans
verkleinwoord plannetje plannetjes

Zelfstandig naamwoord

het plan o

  1. een voorgenomen handelswijze
    • Het plan om vroeg op te staan mislukte doordat de wekker niet afging.
      Waarom had ik geen donder gehoord of bliksem gezien tijdens mijn tocht omhoog? Wat had ik nu spijt van het plan om de zonsondergang en zonsopkomst vanaf de top te willen gaan bekijken.[3]
  2. een idee van iets dat men wil gaan doen
    • Hij is een plan aan het beramen.
      De universiteit legt de bezuiniging, ingegeven door structurele tekorten bij aardwetenschappen, uit als een "strategische keuze" waarbij onderzoek en onderwijs zich nu gaan richten op de hedendaagse klimaatverandering en urgente vraagstukken als natuurrampen en klimaatsystemen. "We begrijpen dat dit een ingrijpend plan is voor studenten en medewerkers. We doen onze uiterste best om in deze onzekere tijd betrokken medewerkers en studenten zo goed mogelijk te informeren."[4]
  3. een ontwerp voor een ruimtelijke of economische ordening
    • We gingen met z'n allen een plan ontwerpen.
  4. niveau
    • Hij ging het op een hoger plan brengen.
  5. de perspectiefverdeling van een schilderij of vergezicht
  6. plattegrond
    • Heb jij een plan bij je?
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

een plan hebben waar niet goed over is nagedacht

het zelf uitzoeken

Vertalingen

1. een voorgenomen handelswijze

Werkwoord

vervoeging van
plannen

plan

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plannen
    • Ik plan.
  2. gebiedende wijs van plannen
    • Plan!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plannen
    • Plan je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "plan" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. plan op website: Etymologiebank.nl

  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 6 mei 2025 Weblink bron
    Sven Schaap
    “Werkveld luidt noodklok op actiedag tegen verdwijnen aardwetenschappen VU” (6 mei 2025), NOS
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Deens

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald(sterk) g enkelvoud plan
o enkelvoud plant
meervoud plane
bepaald(zwak) enkelvoud enmeervoud plane

Bijvoeglijk naamwoord

plan

  1. vlak, pas, plat
Synoniemen
Antoniemen

Werkwoord

plan

  1. gebiedende wijs van plane
g[A] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief plan planen planer planerne
genitief plans planens planers planernes

Zelfstandig naamwoord

[A] plan g

  1. plattegrond, schets
  2. plan, opzet, ontwerp
Afgeleide begrippen
o[B] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief plan planet planplaner planeneplanerne
genitief plans planets plansplaners planenesplanernes

Zelfstandig naamwoord

[B] plan o

  1. (horizontaal) vlakte
  2. plan, niveau
Afgeleide begrippen
o[C] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief plan planet planer planerne
genitief plans planets planers planernes

Zelfstandig naamwoord

[C] plan o

  1. (luchtvaart) vleugel
Afgeleide begrippen

Verwijzingen

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
plan plans

Zelfstandig naamwoord

vervoeging
onbepaalde wijs to plan
he/she/it plans
verleden tijd planned
voltooid deelwoord planned
onvoltooid deelwoord planning
gebiedende wijs plan

plan

  1. plan, voornemen
  2. ontwerp, tekening
  3. schema
  4. (wiskunde) verticaalvlak

Werkwoord

plan

  1. overgankelijk inplannen, plannen, voorzien [1]
  2. overgankelijk van plan zijn

Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
plan le plan plans les plans

Zelfstandig naamwoord

plan m

  1. tekening
  2. (spreektaal) plan, idee
    «Antony a un bon plan pour le weekend de Pâques.»
    Antony heeft een goed idee voor het Paasweekend. [1]
  3. (spreektaal) vermaak, bezigheid
    «J’ai un plan drague pour ce week-end, si tu veux je t’invite.»
    Ik heb een versierplannetje voor dit weekend, als je wil nodig ik je uit. [1]

Verwijzingen

  1. 1 2 Wouw, Berry van de, Woordenboek populair Frans - Nederlands. Woordenboek van het Frans dat u op school nooit leerde, 2e druk, Breda: Uitgeverij Arti-Choc, 2014; p. 160

Noors

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
Naar frequentie 906
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald(sterk) m/v enkelvoud plan planere planest
o enkelvoud plant
meervoud plane
bepaald(zwak) enkelvoud enmeervoud plane planere planeste

Bijvoeglijk naamwoord

plan

  1. vlak, pas, plat
  2. waterpas, horizontaal
    «Gulvet er ikke helt plant
    De vloer is niet helemaal plat.
Synoniemen
Antoniemen

Werkwoord

plan

  1. gebiedende wijs van plane
m[A] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief plan planen planer planene
genitief plans planens planers planenes

Zelfstandig naamwoord

[A] plan m

  1. plattegrond, schets
  2. plan, opzet, ontwerp
    «Huset ble bygd etter planen
    Het huis werd gebouwd volgens het plan.
Afgeleide begrippen
o[B] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief plan planet plan planaplanene
genitief plans planets plans planasplanenes

Zelfstandig naamwoord

[B] plan o

  1. (horizontaal) vlakte
  2. plan, niveau
    «Diskusjonen lå på et høyt plan
    De discussie was op een hoog niveau.
Afgeleide begrippen

Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald(sterk) m/v enkelvoud plan planare planast
o enkelvoud plant
meervoud plane
bepaald(zwak) enkelvoud enmeervoud plane planare planaste

Bijvoeglijk naamwoord

plan

  1. vlak, pas, plat
  2. waterpas, horizontaal
    «Golvet er ikkje plant
    De vloer is niet plat.
Synoniemen
Antoniemen

Werkwoord

plan

  1. gebiedende wijs van plana
Schrijfwijzen

Werkwoord

plan

  1. gebiedende wijs van plane
Schrijfwijzen
m[A] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief plan planen planar planane

Zelfstandig naamwoord

[A] plan m

  1. plattegrond, schets
  2. plan, opzet, ontwerp
    «Han har planar om å bli prest.»
    Hij heeft plannen om priester te worden.
Afgeleide begrippen
o[B] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief plan planet plan plana

Zelfstandig naamwoord

[B] plan o

  1. (horizontaal) vlakte
  2. plan, niveau, verdieping
    «Romma ligg i same planet
    De kamers liggen op dezelfde verdieping.
Afgeleide begrippen

Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
enkelvoud meervoud
plan planes

Zelfstandig naamwoord

plan m

  1. plan
  2. programma
  3. project
Synoniemen

Verwijzingen