plus - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Voegwoord

plus

  1. en, daarbij
    Over mijn donsjas had ik mijn regenjas aangetrokken en ik lag met een regenbroek plus legging in mijn slaapzak te bibberen van de kou.[2]
  2. rekenkundige operatie
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord plus plussen
verkleinwoord plusje plusjes

Zelfstandig naamwoord

plus m, o

  1. (wiskunde) +: teken voor (optelling van) positieve getallen
    • Deze plus zou een min moeten zijn.
  2. overdrachtelijk: een voordeel
    • We moeten alle plussen en minnen eerst eens goed op een rijtje moeten zetten.
Antoniemen

Werkwoord

vervoeging van
plussen

plus

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plussen
    • Ik plus.
  2. gebiedende wijs van plussen
    • Plus!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plussen
    • Plus je?
Anagrammen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "plus" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

plus

  1. (wiskunde) plus; groter dan nul
    «Wir haben heute Morgen plus 9 Grad Celsius.»
    's Ochtends is het plus 9 graden.
  2. (natuurkunde) plus; positief geladen
    «Der Strom fließt von plus nach minus.»
    De stroom vloeit van plus naar minus.
  3. plus; groter dan het gemiddelde of de middelwaarde
    «Dafür hast du eine Eins plus verdient.»
    Daarvoor heb je een 10 plus verdiend.
Antoniemen
  1. minus
  2. minus
  3. minus
Afgeleide begrippen

Meer informatie

Voegwoord

plus

  1. plus; en
    «Vier plus eins ergibt fünf.»
    Vier plus één geeft vijf.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen

Voorzetsel

plus

  1. plus; vermeerderd met (-)
    «Als tatsächliche Kosten muss man den Kaufpreis plus des Aufwands, der für die Beschaffung getrieben werden musste, ansehen.»
    Als de daadwerkelijke kosten moet men de koopprijs plus de uitgaven, die voor de aanschaf van iets gemaakt moeten worden, zien.
Synoniemen
Antoniemen
Anagrammen

Frans

Uitspraak

Bijwoord

plus

  1. meer bw (bijwoord); vergrotende trap van beaucoup ("veel")
  2. (in de combinatie plus de) meer; vergrotende trap van beaucoup de
    «Il y a plus de gens que hier.»
    Er is meer volk dan gisteren.
  3. vormt een comperatief van een adjectief of een bijwoord
  4. (met "le") vormt een superlatief van een adjectief of een bijwoord
    «Il est le plus beau.»
    Hij is de mooiste.

Bijwoord

ne ... plus

  1. niet meer

Pools

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

plus

  1. plus
Afgeleide begrippen

Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

plus monbezield

  1. (spreektaal)(wiskunde) plus; symbool om een positieve waarde of een optelling aan te geven
  2. (spreektaal) plus; een voordeel
  3. (economie) plus; een overwicht van inkomsten over uitgaven
    «Letošní rozpočet by měl skončit v plusu
    De begroting van dit jaar zou in de plus moeten eindingen.
Verbuiging

| | enkelvoud | meervoud | | | ---------------------------------------------------------------------------- | ------------------------------------------------------------------------------------------------- | ---------------------------------------------------------------------------------------------------- | | nominatief | plus | plusy | | genitief | plusu | plusů | | datief | plusu | plusům | | accusatief | plus | plusy | | vocatief | pluse | plusy | | locatief | plusu | plusech | | instrumentalis | plusem | plusy |

Synoniemen
  1. pozitivum o, klad monbezield, výhoda v, přednost v
  2. přebytek monbezield, černá čísla omv
Antoniemen
  1. minus monbezield / o, zápor monbezield, nevýhoda v
  2. deficit monbezield, červená čísla omv
Afgeleide begrippen

Meer informatie

Verwijzingen

Zelfstandig naamwoord

plus o

  1. (wiskunde) plus; symbool om een positieve waarde of een optelling aan te geven
  2. plus; een voordeel
Verbuiging

| | enkelvoud | meervoud | | | ---------------------------------------------------------------------------- | ---------------------------------------------------------- | ------------------------------------- | | nominatief | plus | plus | | genitief | plus | plus | | datief | plus | plus | | accusatief | plus | plus | | vocatief | plus | plus | | locatief | plus | plus | | instrumentalis | plus | plus |

Synoniemen
  1. pozitivum o, klad monbezield, výhoda v, přednost v
Antoniemen
  1. minus monbezield / o, zápor monbezield, nevýhoda v

Verwijzingen

Bijwoord

plus

  1. (wiskunde) plus; groter dan nul
    «Denní teploty vystoupí na plus pět stupňů Celsia.»
    De dagtemperaturen stijgen naar plus vijf graden Celsius.
  2. plus; vermeerderd met (-)
    «Pět plus pět rovná se deset.»
    Vijf plus vijf is tien.
Schrijfwijzen
  1. +
Synoniemen
  1. a
Antoniemen
  1. minus (bw.)
  2. minus (bw.), bez
Typische woordcombinaties
Anagrammen

Verwijzingen